GENDER & IDENTITEIT

Hoe gaan we om met problemen die zich stellen bij turnen, sport-, zwem- of danslessen in het basis en secundair onderwijs?

Scholen krijgen vragen over tal van issues rond gemengd sporten, waaronder gescheiden zwemmen. Soms wordt er ook geweigerd om met elkaar te spelen of te dansen. Daarnaast stelt zich ook de vraag naar alternatieve sport- of zwemkleding.

De Vlaamse regelgeving[1] stelt dat een regelmatige jongere in het leerplichtonderwijs het leerprogramma volledig en daadwerkelijk moet volgen.[2]  We bekijken daarom eerst wat de eindtermen en de ontwikkelingsdoelen zeggen over turnen en sport-, zwem- of danslessen.

 

Turnen, sport-, zwem- en danslessen in het basisonderwijs

 

Specifiek voor zwemmen in het basisonderwijs is dat zwemmen tot de basisvaardigheden behoort en dat deze haalbaar en wenselijk worden geacht voor alle kinderen die de basisschool verlaten. In het leergebied lichamelijke opvoeding zijn volgende eindtermen bepaald:

 

  • Eindterm 1.24: De jongeren kunnen ongeremd en spelend bewegen in het water.
  • Eindterm 1.25: De jongeren voelen zich veilig in het water en kunnen zwemmen.[3]

 

Deelname aan de lessen zwemmen is verplicht voor het behalen van het getuigschrift basisonderwijs. Een vrijstelling voor zwemmen verkrijgen kan alleen omwille van medische redenen. Er dient dan een doktersattest voorgelegd te worden. Dit wordt ook zo in het schoolreglement opgenomen.

 

Onze scholen zetten doelgericht in op zwemmen, via uitwerking van een leerlijn zwemmen. Die hedendaagse visie stelt dat jezelf kunnen redden in het water en een brede motorische ontwikkeling de belangrijkste doelstellingen zijn van de zwemles op school. We onderscheiden drie fasen in het zwemonderricht voor de basisschool: watergewenning, leren overleven, het zich doelmatig voortbewegen in water.

 

We verwijzen hiervoor naar het leerplan basisonderwijs. Leergebied: Lichamelijke Opvoeding (leerplannummer 2015/6[4]).

 

  • Aanzetten tot een gezonde en actieve levensstijl;
  • Lichamelijk opvoeden: bijdragen aan een optimale motorische ontwikkeling en fysieke fitheid van kinderen ontwikkelen; veilig bewegen, ook op de speelplaats en in het zwembad;
  • Samen leren bewegen;
  • Wegwijs maken in onze sport- en belevingscultuur.

 

OD 1.22 en ET 1.21 spreken over bewegen op het ritme van muziek en het uitvoeren zonder of met aanwijzingen van een eenvoudig bewegingspatroon op muziek, en het onthouden van eenvoudige danscombinaties (Ritmisch en expressief bewegen).[1]

 

[1] Vlaamse Overheid, “Eindtermen Basisonderwijs”

 

Turnen, sport-, zwem- en danslessen in het secundair onderwijs

 

De nieuwe eindtermen voor de eerste graad spreken over een fysiek actieve levensstijl opbouwen, onderhouden en versterken. Beweging en sport houden ons fit en ons hart en onze bloedvaten gezond, ze zorgen voor het regenereren van hersencellen, het verhogen van ons cognitief vermogen, het verlagen van de stressgevoeligheid, het verhogen van de mentale weerbaarheid, het komen tot een positief zelfbeeld en het verbeteren van ons algemeen welbevinden. Jongeren leren hoe ze zich een fysiek actieve levensstijl kunnen eigen maken en hoe ze elders verdiepende technieken en tactieken kunnen verwerven, al dan niet binnen een competitieve sfeer. Algemeen kan gesteld worden dat een fysiek actieve levensstijl bestaat uit levenslang voldoende bewegen en sporten wat de levenskwaliteit aanzienlijk verlengt en bevordert. Het belang van beweging en sport mag dus niet onderschat worden. Het is een belangrijk onderdeel van de preventieve geneeskunde. Daarom alleen al moet het onderwijs verschillende bewegingsvormen aanbieden waarbij we een aantal belangrijke elementen kunnen onderscheiden:

 

De focus ligt duidelijk op het voldoende dagelijks bewegen en hieraan plezier beleven omdat dit de garantie vergroot op het levenslang volhouden van een fysiek actieve levensstijl.

kan alleen indien de jongeren kunnen omgaan met elementen als spanning, verliezen, winnen, fair play en samenspelen, wat onder andere ook de sociale cohesie en de inclusie van kansengroepen bevordert.

Een fysiek actieve levensstijl vereist een goede basis van psychomotorische vaardigheden: hierbij is het aanleren van technieken van bewegingsleer (balanceren, wentelen, springen, lopen, vallen, rollen …) noodzakelijk om de motoriek verder te ontwikkelen en te verfijnen.

Een fysiek actieve levensstijl houdt de ontwikkeling van de basisvaardigheden binnen de bewegingskenmerken kracht, lenigheid, uithouding, snelheid, coördinatie en evenwicht in, die naast het correct bewegen binnen sportsituaties ook hun belang hebben in het dagelijks leven.

 

Wat zwemmen betreft: in het secundair onderwijs zijn de zwemlessen niet systematisch in elke richting of in elk jaar in de leerplannen opgenomen. Waar ze echter wel zijn opgenomen in de leerplannen lichamelijke opvoeding, is aanwezigheid en deelname aan de zwemles verplicht, tenzij een medisch attest deelname ontraadt of verbiedt.[1]

Indien jongeren weigeren om aan bepaalde lessen of evaluatiemomenten, zoals bv.een zwemles, deel te nemen, kan dit door de school in kwestie niet aanvaard worden en zal dit, zelfs als de jongere op school aanwezig is, gelijk worden geschakeld met een problematische afwezigheid. Vanaf dat moment gelden alle regels die ook in andere situaties van problematische afwezigheid van kracht zijn. 

Op het einde van het schooljaar is het de delibererende klassenraad die beslist of de jongere de leerplandoelen voldoende heeft bereikt. Een ongewettigde of problematische afwezigheid van de jongere kan dan het bereiken van die doelen in gevaar brengen.

De huidige regelgeving bevat geen expliciete vermelding over kledijvoorschriften (of zwemkledij) op school.  Als school kan je er wel voor kiezen om in het eigen schoolreglement beperkingen op te leggen rond (bad)kledij, kapsel, sieraden … hetgeen bijgevolg tot lokale verschillen leidt. Uiteraard dient er ook rekening gehouden te worden met de voorschriften van het zwembad.

[1] Vlaamse Overheid, “Leerplicht, Aan- En Afwezigheden,” Onderwijs Vlaanderen, n.d., https://onderwijs.vlaanderen.be/nl/leerplicht-aan-en-afwezigheden.

[2] Hierop zijn er uitzonderingen, nl de afwezigheden van rechtswege of bij beslissing van de school.  Deze laatst vermelde uitzondering houdt enerzijds in dat een directeur een eigen bevoegdheid heeft om in bepaalde gevallen en bij uitzondering een afwezigheid omwille van persoonlijke redenen te wettigen. Hierbij is het de verantwoordelijkheid van de directeur zelf om in te schatten dat hij deze afwezigheidscode niet oneigenlijk toepast en bij zijn afweging steeds rekening houdt met het signaal dat hij bij deze wettiging stelt naar andere jongeren, ouders, leraren…toe.

[4] Pedagogische begeleidingsdienst GO!, “Leerplan Basisonderwijs,” GO! Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, 2015, https://pro.g-o.be/blog/Documents/Lichamelijke%20opvoeding%20BaO.pdf.

[5] Vlaamse Overheid, “Eindtermen Basisonderwijs”

[6]Tenzij een medisch attest deelname verbiedt.

Vanuit het wettelijk kader reiken we een aantal pedagogisch-didactische wenken aan. Centraal daarin is het aangaan van de dialoog. Dit kan op twee momenten: bij het inschrijvingsmoment (preventief), of wanneer er zich een concreet probleem stelt (curatief).

Mogelijke problemen kunnen gedeeltelijk voorkomen worden door al bij inschrijving op school duidelijk te maken wat er verwacht wordt. Ga diep genoeg in op het schoolreglement, en bekijk ook de impliciete verwachtingen. Extra toelichting geven kan latere problemen vermijden. Tot slot biedt dit moment ook voor de ouders en jongeren van meet af aan de gelegenheid om bepaalde knelpunten naar voren te brengen, waardoor er eventueel al meteen en rechtstreeks antwoorden kunnen worden gezocht.

Wanneer duidelijk wordt dat er zich problemen stellen bij turnen, sport-, dans- of zwemlessen omwille van geloofsovertuiging, culturele of andere redenen is het belangrijk dat de directeur, eventueel samen met de klasleraar zo snel mogelijk in gesprek gaat met de ouders. We raden aan om dit gesprek voor te bereiden en te voeren met hulp van een CLB-medewerker of een brugfiguur die gewoon is om opvoedingsondersteuning te geven. In het gesprek worden de bezorgdheden van de ouders ernstig genomen en toont de school zich begripvol. Zowel de ouders als de school hebben als gemeenschappelijk perspectief een goede opvoeding van het kind. Wanneer dit gezamenlijk perspectief niet expliciet verwoord wordt, riskeer je een dovemansgesprek.

Bij elk gesprek moet duidelijk gemaakt worden dat de school niet zomaar vrijstelling kan geven voor turnen, sport, zwem- of danslessen, tenzij aan kinderen met specifieke onderwijsbehoeften (en in overleg met het CLB). Op vragen die voortvloeien uit de religieuze overtuiging van ouders die impact hebben op het curriculum (zoals niet deelnemen aan zwemlessen) of indruisen tegen het pedagogisch project (vraag naar gescheiden activiteiten tussen jongens en meisjes) adviseren wij de school om een negatief antwoord te geven.

Op school leren kinderen niet alleen lezen, schrijven en rekenen, maar wordt er ook aan de motorische ontwikkeling gewerkt, aan een veilige en gezonde levenshouding en aan socio-emotionele ontwikkeling via samen bewegen. Dit is in het belang van een goede opvoeding van het kind (gezamenlijk perspectief van school en ouders).

 

Zwemmen is een gezonde manier van bewegen en bovenal een belangrijke vaardigheid om zich veilig en doelmatig in het water voort te bewegen. De school heeft in het belang van een goede opvoeding van het kind de maatschappelijke opdracht om alle kinderen in staat te stellen zich in het water te kunnen redden. En het gaat ook om anderen kunnen redden.

 

Ouders kunnen ook gerustgesteld worden omdat ze soms een verkeerd beeld hebben van bepaalde lessen. Dit kan door er bv.op te wijzen dat jongens en meisjes zich bij sportactiviteiten en turnen apart omkleden, dat kinderen niet in bikini zwemmen maar dat ook een badpak toegestaan is, of een zwempak met pijpjes. Indien deze voorbeelden (nog) niet van toepassing zijn, kan de school de ouders hierin tegemoetkomen en (een deel van) de ongerustheid wegnemen. In dit geval is het ook belangrijk een voorbereidend overleg te hebben om consensus te krijgen over eventuele alternatieven. Dit gebeurt bij voorkeur niet op basis van een concreet geval en vooraleer er zich problemen stellen. Alternatieven moeten systematisch afgewogen worden aan het pedagogisch project van de school, de eindtermen en de leerplannen. Daarop kunnen immers geen toegevingen gedaan worden. Ook van belang is dat het team het hierover eens is.

 

In het gesprek speur je ook naar eventuele andere factoren die kunnen bijdragen aan een negatieve houding tegenover turnen, sport- en danslessen en zwemmen, en die los staan van levensbeschouwing. In die zin moet wederom gewaarschuwd worden voor stereotypering.

 

Een weigering door een gelovige jongere hoeft niet geïnterpreteerd te worden als een weigering omwille van religieuze redenen.

 

  • Zijn er bv.medische problemen?
  • Is er sprake van schaamte, omwille van gewicht, maandstonden of beharing?
  • Zijn er financiële problemen en is de kostprijs voor het zwemmen een probleem?
  • Het kan ook zijn dat jongeren die niet graag zwemmen of sporten daarvoor ­ zonder medeweten van ouders ­ religieuze redenen als excuus inroepen om niet mee te gaan;
  • Het kan ook zijn dat ouders en jongeren het educatieve aspect onvoldoende vinden. Ze gaan er mogelijk van uit dat dit gelijkstaat aan een alternatieve vorm van speeltijd.

 

Andere acties die de school kan ondernemen:

 

Indien er regionaal opvoedingsondersteunende instanties zijn die de ouders, vrienden of familieleden van de ouders bereiken via oudergroepen, kan de school vragen om dit thema aan bod te brengen. Ouders met dezelfde religieuze achtergrond die geen bezwaar maken tegen het gemengd zwemmen, zouden kunnen gevraagd worden om te getuigen.

 

  • De school kan met andere familieleden van de ouders praten (bv.‘de opa’);
  • De leraren zorgen ervoor dat het zwemmen voor iedereen en dus ook voor het kind in kwestie een deugddoende ervaring is, waar elk kind telkens opnieuw naar uitkijkt;
  • Wellicht zal nog een vervolggesprek nodig zijn. Sensibilisering is een werk van lange adem;
  • Schakel eventueel ook de leraar levensbeschouwing in.

europe logo white

THE E-LEARNING TOOL

EUROGUIDE EU flag

This project is co-funded by the Internal Security Fund of the European Union – GA N° 871038